Wat is RFT?

ACT is gefundeerd in het functioneel contextualisme (FC) of contextuele gedragswetenschap (Contextual Behavioral Science, CBS). Dit betekent dat hoog in het vaandel staat dat theorieën toetsbaar moeten zijn aan de observeerbare en manipuleerbare werkelijkheid om ons heen. Effectonderzoek, zoals in de CGT gebruikelijk is, wordt als waardevol maar niet voldoende geacht om effectieve theorieën en interventies te ontdekken. Theorieën moeten toetsbaar zijn in het laboratorium, onder controleerbare omstandigheden. En theorieën moeten in staat zijn ons te helpen menselijk gedrag te voorspellen en beïnvloeden zodat menselijk lijden verlicht kan worden.

Het belang van cognities wordt door het FC gedeeld met andere cognitieve stromingen. Echter, de manier waarop theorieën over cognities gevormd zijn, maakt dat deze niet voldoen aan de criteria van toetsbaarheid en manipuleerbaarheid. Daarom is men op zoek gegaan naar een theorie over cognities, die wel aan deze criteria voldoet.  Voortbordurend op reeds bestaand onderzoek naar regelgeleid gedrag en stimulusequivalentie heeft Steven Hayes in samenwerking met Dermot Barnes-Holmes en vele anderen RFT ontwikkeld: Relational Frame Theory.

RFT gaat ervan uit dat mensen in staat zijn om verbanden te leggen. Mensen worden in getraind, door hun opvoeders. Kinderen leren bijvoorbeeld het verband tussen het woord 'mama'  en hun moeder. Deze taaltraining is heel uitgebreid en gaat het hele leven door. Op gegeven moment (en dat is al op hele jonge leeftijd) leidt dit ertoe dat mensen spontaan verbanden kunnen gaan leggen, zonder dat iemand hen dat nog hoeft te leren. Dit noemen we afgeleid leren. Het is niet meer nodig om direct een verband te ervaren, het wordt afgeleid of geconcludeerd. Als ik bijvoorbeeld zeg dat Marie de moeder is van Petra en Petra de moeder van Annet, dan kan de lezer zelf concluderen dat Marie de oma van Annet moet zijn en dat Annet de kleindochter van Marie is.

Afgeleid leren heeft een belangrijk voordeel: we hoeven niet meer alles zelf aan den lijve te ervaren om te weten hoe we ermee om moeten gaan. Als iemand zegt dat de kachel heet is en je er beter af kan blijven, hoef je niet eerst je hand te verbranden om van de kachel te leren afblijven. Er is echter ook een schaduwzijde. Als mensen eenmaal een regel geleerd hebben over de consequenties van gedrag, dan zullen zij volgens deze regel blijven handelen, zelfs als de regel niet (meer) klopt. Wanneer bijvoorbeeld gezegd wordt dat je ziek kunt worden van eieren eten, kan het zijn dat mensen nooit meer eieren durven te eten, zelfs als blijkt dat eieren gezond zijn.

Dieren kunnen ook verbanden leggen, maar zij kunnen niet zelf conclusies trekken, zij kunnen geen verbanden afleiden. In elk geval is er tot nu toe in onderzoek geen dier gevonden die dit kan. Wat dieren ook niet kunnen is verbanden leggen op grond van arbitraire kenmerken. Wanneer iemand naar twee ballen kijkt en ziet dat de een groter is dan de andere, dan legt hij een verband op grond van een fysieke eigenschap. Maar wanneer iemand naar twee acteurs kijkt en de ene een betere acteur vindt dan de andere, dan is dat geen fysieke eigenschap. Of je een goede acteur bent is een eigenschap die we als het ware toekennen. Dat bedoelen we met arbitrair. Het vermogen om verbanden te leggen op grond van arbitraire eigenschappen vergroot dat vermogen enorm. We kunnen alles met alles in verband brengen.

Door het leggen van verbanden krijgen zaken een andere betekenis. Als ik iemand ontmoet sta ik daar wellicht neutraal tegenover, tot ik ontdek dat deze persoon en ik iets gemeenschappelijks hebben. Dan ga ik deze persoon met andere ogen bekijken. Het wordt iemand met wie ik het prettig vind om te praten. Het gedragseffect verandert.  Als mensen leiden we dus verbanden af, leren en maken we regels waar we naar gaan leven alsof ze de werkelijkheid zijn.  Dit noemen we fusie.  Fusie heeft grote invloed op het effect dat gedachten op ons hebben. Fusie leidt doorgaans tot gedragsvernauwing: we verliezen het zicht op mogelijkheden om ons te gedragen, waardoor we vast komen te zitten in een beperkt gedragsrepertoire. Wanneer ik bijvoorbeeld denk dat ik dom ben, durf ik in de vergadering op mijn werk niet meer te zeggen hoe ik over zaken denk.  RFT heeft dus direct praktische consequenties. Vanuit de RFT is het proces van defusie ontstaan: mensen leren hun gedachten weer te zien als gedachten (afgeleide verbanden) ipv als de (fysieke) werkelijkheid