Wat is ACT?

Plaatsbepaling van ACT als derde generatie gedragstherapie.

In de eerste generatie lag de nadruk op waarneembaar gedrag. Middels dierexperimenten werden de leerpincipes van klassieke en operante conditionering ontdekt en toegepast op het gedrag van mensen. De keuze voor waarneembaar gedrag was een bewuste keuze: men hoopte op deze wijze wetmatigheden te ontdekken, die bestudering van ingewikkelder menselijk gedrag zou vergemakkelijken. Belangrijk kritiekpunt op de eerste generatie was het gebrek aan aandacht voor de belevingen van cliënten.

De tweede generatie betreft de cognitieve therapie die ontstond vanuit onvrede met de eerste generatie. Belevingen van cliënten kregen binnen de cognitieve therapie een plaats en wel in de vorm van gedachten/overtuigingen. Aan cognities werd een oorzakelijke status toegekend: Gedrag en gevoel zouden kunnen veranderen wanneer mensen in staat zouden zijn hun overtuigingen te wijzigen. Een belangrijk gedragstherapeutisch principe werd losgelaten: namelijk dat gedragstherapie zich beperkte tot experimenteel geverifieerde (in het laboratorium aangetoonde) leerprincipes. De theoretische assumptie van de cognitieve therapie dat overtuigingen een rechtstreekse invloed uitoefenen op gedrag en gevoel is tot op heden niet aangetoond. Wat wel is aangetoond is dat cognitieve therapie en zeker in combinatie met gedragstherapie een effectieve behandeling is voor een aantal as I stoornissen, door een deel van de cliënten.

Het functioneel contextualisme is een wetenschapsfilisofie, die zich baseert op de wetenschappelijke principes van de eerste generatie en met deze principes zoekt naar een toetsbare theorie waarin de beleving van de client een plaats kan krijgen. ACT is een therapievorm die uit het functioneel contextualisme voortkomt. Zie verder: "wat is RFT"

Therapiefilosofie

ACT is gebaseerd op het uitgangspunt dat mensen lijden onder hun bestaan omdat zij hun eigen gedachten, gevoelens, herinneringen, lichamelijke sensaties en andere innerlijke ervaringen proberen te vermijden. Dit wordt experiëntiële vermijding genoemd. Onze cultuur benadrukt dat wij als mens in staat zijn om onze innerlijke ervaringen onder controle kunnen houden. Het houdt ons voor dat onderdrukking van onze innerlijke belevingen zal leiden tot een gelukkig leven, waarin negatieve gevoelens en gedachten uitgebannen kunnen worden. Bovendien wordt het als teken van zwakte gezien wanneer mensen wel negatieve gevoelens en gedachten ervaren. Uit onderzoek blijkt dat dit echter niet wenselijk is omdat onderdrukking en vermijding leidt tot een toename van negatieve private ervaringen. Angst voor de eigen negatieve private ervaringen leidt ertoe dat de cliënt zijn gedrag steeds meer afstemt op het vermijden van private negatieve ervaringen en steeds minder gericht is op gedrag dat zijn leven zin geeft en aantrekkelijk maakt.

Behalve experiëntiële vermijding leidt ook fusie met de inhoud van onze cognities tot problemen. Fusie wil zeggen dat wij onze gedachten letterlijk nemen en de wereld bekijken vanuit deze gedachten. Zelfevaluaties, evaluaties, regels over wat hoort en niet hoort zijn voorbeelden van gedachten waarmee mensen fuseren. Fusie versterkt de neiging tot experiëntiële vermijding.

Fusie en experiëntiële vermijding leiden tot een situatie waarin het hebben van negatieve private ervaringen verveelvoudigd wordt. Als mens hebben wij allemaal een bepaalde leergeschiedenis, die bepaald wordt door klassieke en operante conditioneringsprocessen en door een biologische/genetische invloed. Wanneer wij de negatieve private ervaringen die hiervan het gevolg zijn vermengen met fusie en experiëntiële vermijding ontstaat er een proces waarin steeds meer negatieve private inhoud geproduceerd wordt. ACT richt zich op het doorbreken van dit proces, door cliënten te leren hun private negatieve ervaringen te accepteren en te ontkoppelen van (de context van) letterlijkheid, evalueren en redenen geven.

Van de cliënt wordt gevraagd om bereid te zijn de negatieve private ervaringen die het gevolg zijn van leergeschiedenis en biologische invloeden te accepteren zoals ze zijn. De cliënt wordt geleerd gedachten te zien voor wat ze zijn: gedachten en geen waarheden. Hierdoor kan de cliënt weer profiteren van zijn ervaringen om zijn gedrag af te stemmen op zijn behoeften en de omgeving.

De cliënt komt echter in therapie omdat hij af wil van zijn negatieve private ervaringen. De therapeut helpt de cliënt in te zien dat dit onmogelijk en onwenselijk is. Om de cliënt te motiveren om de tot dan toe als ongewenst ervaren negatieve private ervaringen te aanvaarden werkt ACT met waarden: die zaken die het leven van de cliënt zin geven en aantrekkelijk maken.

Therapeutische processen

ACT onderscheidt zes processen die in de therapie aan de orde dienen te komen.

  1. Acceptatie. Dit proces is er op gericht de cliënt te laten ervaren dat controle over zijn belevingen onmogelijk en ongewenst is. De client wordt geholpen de eigen controle agenda waar te nemen en onwerkzame strategieen los te kunnen laten. Dit leidt bij de cliënt tot een ervaring van creatieve hopeloosheid: het oude wordt losgelaten om ruimte te maken voor nieuwe ervaringen. Vervolgens wordt acceptatie als een vaardigheid getraind, om een waarden gericht leven mogelijk te maken.
  2. Defusie. Dit proces leert de cliënt een andere houding aan te nemen ten opzichte van zijn gedachten. Er ontstaat als het ware een ontkoppeling tussen de client en zijn gedachten: hij kan er met afstand naar kijken en ze onderzoeken op hun nut in zijn leven.
  3. Zelf als context. Dit proces verwijst naar de neiging van mensen om zichzelf te vereenzelvigen met de inhoud van hun bewustzijn. Ze vallen als het ware samen met wat ze denken, voelen, zich herinneren enzovoorts. ACT helpt de cliënt de constante in zichzelf te ervaren, die niet vatbaar is voor zelfevaluaties: het perspectief dat we innemen als we "ik" zeggen.Dit perspectief is de context waarin belevingen plaatsvinden.  Een ander woord voor perspectief is het observerende ik.
  4. Contact met het hier-en-nu. Het is het contact met het hier-en-nu dat leidt tot nieuwe ervaringen die de cliënt in staat stellen steeds vaardiger met zijn omgeving om te gaan. Anders gezegd: Door directe ervaringen wordt de cliënt blootgesteld aan operante leerprincipes die hem helpen zijn gedrag af te stemmen op de (gewenste) consequenties van dat gedrag. Taal in de vorm van regels en evaluaties belemmert het directe contact met de omgeving dat nodig is om deze ervaringen op te doen. Contact met het hier-en-nu herstelt a.h.w de invloed van het operante leerproces, waardoor vanzelf een betere afstemming met de omgeving kan plaatsvinden..
  5. Waarden. Cliënten wordt in de therapie gevraagd zich open te stellen voor zijn ervaringen en belevingen, zonder deze te veranderen of te controleren. Dit is geen geringe opgave. Om dit op te kunnen brengen heeft de cliënt het nodig te weten waar hij het allemaal voor doet. Binnen ACT zijn dit de waarden die de cliënt nastreeft in zijn leven. Waarden zijn richtinggevende principes, die het leven zinvol en waardevol maken. Vaak zijn cliënten het zicht op hun waarden kwijtgeraakt doordat zij al hun tijd en energie gestoken hebben in het onder controle krijgen van ongewenste belevingen.
  6. Waardegerichte actie. Wanneer cliënten weten welke kant ze op willen wordt het tijd om hun gedrag hierop af te stemmen. Gedrag dat mensen dichterbij hun waarden brengt, brengt de cliënt tevens in contact met ongewenste belevingen. Met dit proces helpt de therapeut de cliënt om met zichzelf afspraken te maken om zijn handelen af te stemmen op zijn waarden en zich aan deze afspraken te houden. Dit betekent dat de cliënt zich niet laat ontmoedigen door mislukkingen en fouten, door tegenstand uit de omgeving en door ongewenste belevingen die opduiken door het handelen zelf.

Therapeutische interventies

ACT maakt gebruik van metaforen en experiëntiële oefeningen, die speciaal ontwikkeld zijn voor ACT of afkomstig zijn uit andere therapierichtingen. Alle interventies zijn er op gericht om de cliënt in contact te brengen met zijn eigen ervaring. Het is niet de therapeut die bepaalt wat goed is of welke richting de cliënt op moet. De cliënt wordt uitgenodigd alles wat de therapeut aandraagt te toetsen aan zijn eigen ervaringen. De cliënt wordt overtuigd door zijn ervaring.

Binnen de werkrelatie is het uitgangspunt van belang dat therapeut en cliënt in hetzelfde "talige" schuitje zitten: beiden staan onder invloed van de verbale gemeenschap, van regels, van de eigen leergeschiedenis. Beiden worden tijdens de therapie geconfronteerd met ongemakkelijke belevingen, die door beiden geaccepteerd kunnen worden. Wanneer therapeuten de werkrelatie willen gebruiken als therapeutisch instrument wordt dat binnen ACT vorm gegeven met interventies vanuit FAP: Functional Analytic Psychotherapy.

Zie voor meer informatie ook de bijlag